pdf A32(2002) Advies Herziening LAC-signaalwaarden

De LAC-signaalwaarden zijn in 1986 opgesteld door de Landbouwadvies commissie Milieukritische stoffen (LAC). Deze waarden zijn toen gedefinieerd als: 'het laagste gehalte van een stof in de bodem dat bij overschrijding aanleiding kan geven tot het optreden van nadelige effecten voor de opbrengst en kwaliteit van agrarische producten en de gezondheid van mens en dier'. Het overschrijden van de LAC-signaalwaarde voor een stof moet leiden tot het uitvoeren van nader onderzoek en het geven van advies voor het gebruik van de grond. De LAC-signaalwaarden zijn na de laatste herziening in 1991 ruim tien jaar onveranderd gebleven. Het bodemsaneringsbeleid is inmiddels vernieuwd, waarbij is gekozen voor een functiegerichte aanpak van immobiele verontreinigingen in de bovengrond. Dit vernieuwde bodemsaneringsbeleid en nieuwe wetenschappelijke inzichten waren aanleiding voor de minister van LNV om aan het Expertisecentrum LNV (EC-LNV) te vragen het stelsel van LAC-signaalwaarden om te vormen tot een �Functiegerichte Bodemkwaliteit-Systematiek� (FBS, versie februari 2001(GRR 2001/1452)). Het is de bedoeling dat met de FBS locatiespecifieke signaleringswaarden kunnen worden afgeleid, waarboven het betreffende bodemgebruik problemen kan ondervinden. Tevens zou met de FBS in geval van sanering de terugsaneerwaarde kunnen worden bepaald. In haar advies constateert de commissie dat er bij de opzet van de FBS meer aandacht moet komen voor het verschil in beleidsmatige betekenis tussen attenderings waarden (signaalwaarden) en bodemgebruikswaarden (BGW) bij bodembeheer en bodemsanering. Bij signaalwaarden zoals de LAC-waarden fungeert toetsing aan de wettelijk vastgestelde Warenwet- en productnormen als een bindende toetsing, overschrijding van een signaalwaarde is slechts een aanleiding om de bindende toetsing uit te voeren. Bij BGW bestaat een derge-lijke bindende vervolgtoetsing niet, het gaat in feite om milieukwaliteitsdoelstellingen. Omdat er thans nog verschillende activiteiten plaatsvinden om BGW's af te leiden bij Alterra, RIVM en RIZA heeft de commissie zich in haar advies vooral gericht op het afleiden van signaalwaarden. Met de FBS beoogt men weliswaar nieuwe signaalwaarden te ontwikkelen, maar voorzover bekend heeft er in de praktijk nog geen evaluatie van het gebruik van signaalwaarden zoals LAC-signaalwaarden als beoordelingsinstrument plaatsgevonden. Daarbij gaat het om de vraag hoe vaak toetsing aan LAC-signaalwaarden heeft geleid tot onnodig gewasonderzoek, en hoe vaak overschrijding van de Warenwetnorm is opgetreden terwijl de bodem aan de LAC-signaalwaarde voldoet. Inzicht in de effectiviteit van signaalwaarden als beoordelingsinstrument is zowel voor de LAC signaalwaarden als voor de eventuele opvolgers daarvan erg belangrijk. Het heeft bijvoorbeeld weinig zin om een signaalwaarde op te stellen als deze zo streng moet zijn dat er vrijwel altijd gewasonderzoek moet plaatsvinden. De FBS bestaat uit rekenregels die per stof de relatie tussen gehalten in de bodem en gehalten in de plant of in een dierlijk produkt beschrijven (overdrachtsrelaties). De overdrachtsrelaties van bodem naar plant zijn afgeleid op grond van een statistische analyse van bestaande veldgegevens. De rekenregels maken het mogelijk om signaalwaarden aan te passen aan de lokale bodemsituatie. Dit is een verbetering ten opzichte van de vaste LAC- signaalwaarden per grondsoort. De commissie heeft echter een groot aantal kanttekeningen geplaatst bij de representativiteit van de gebruikte gegevens, de statistische bewerking van de gegevens en de betrouwbaarheid van de toetsing met de voorgestelde rekenregels. Naar aanleiding van het verschijnen van het EC-LNV rapport heeft er over een aantal van de bovengenoemde kritiekpunten discussie plaatsgevonden tussen EC-LNV en Alterra. Deze discussie betrof vooral de wiskundige vorm van overdrachtsrelaties, en in samenhang daarmee, de vraag of de overdrachtsrelaties de veldgegevens goed wisten weer te geven. Volgens de commissie zou er echter een andere discussie moeten worden gevoerd. De vraag die bij de afleiding van een attenderingswaarde of signalerende rekenregel centraal moet staan is niet of men overal gehaltes in planten kan voorspellen. Het gaat om de vraag of men op grond van informatie over gehalten in de bodem en bepaalde bodemeigenschappen onderscheid kan maken tussen twee situaties: A] De Warenwetnorm wordt overschreden (met een bepaalde waarschijnlijkheid) of B] De Warenwetnorm wordt niet overschreden (met een bepaalde waarschijnlijkheid). Als het niet lukt om rekenregels te ontwikkelen die met voldoende betrouwbaarheid het onderscheid tussen de bovengenoemde situaties kunnen maken, dan is het beter om van de verdere ontwikkeling van "signaalwaarden" af te zien en een eenvoudiger signaleringssysteem te hanteren. Dit kan worden gebaseerd op de volgende overwegingen: - Als landbouwgrond in het kader van fytotoxiciteit te hoge gehalten bevat, worden de negatieve effecten vanzelf waargenomen en kunnen maatregelen worden getroffen. - Vanuit voedselveiligheid zijn er op niet ernstig verontreinigde gronden een beperkt aantal kritische combinaties van verontreiniging, grondsoort en gewas waarop men bedacht moet zijn. Deze kritische combinaties kunnen worden benoemd en signaleren dan de noodzaak tot onderzoek van gewassen en producten op licht verontreinigde bodems (tussen de streefwaarde en de interventiewaarde). Bij verontreiniging boven de interventiewaarde moet in het kader van de Wet bodembescherming toch al nader onderzoek plaatsvinden waarbij ook de kwaliteit van landbouwproducten kan worden betrokken als dat gezien de lokale situatie noodzakelijk lijkt. In deze eenvoudige opzet sluiten het regime van de Warenwet en de Wet bodembescherming optimaal op elkaar aan.

design by Het Lab | build by nieta